De VDAB heeft zich tot doel gesteld om in 2011 het energieverbruik met 12% te verminderen ten opzichte van 2004.
Er werden reeds een aantal maatregelen doorgevoerd, gebaseerd op de bevindingen van energieaudits door gespecialiseerde bedrijven. Minstens 10 % energie kan worden bespaard door organisatorische maatregelen: bijvoorbeeld correcte insteltemperaturen en een passende attitude van het personeel. vaststellingen In de competentiecentra wordt dikwijls gesteld dat de werkplaatstemperaturen vrij hoog zijn, waardoor de praktijkopleidingen op het vlak van omgevingstemperatuur niet overeenstemmen met de werkelijke temperatuur "on the job". Het betreft vooral de opleidingen heftruckbegeleider, ruwbouw, metser, vloerder, bekister en stukadoor. Uit een aantal steekproeven blijkt dat de werkplaatsen soms worden opgewarmd tot 20 °C. Dergelijke temperatuur stemt niet overeen met de reële werksituatie. Rekening houdende met het feit dat een verlaging van 1 °C reeds een energiebesparing van ± 7 % oplevert, is er dus héél wat besparingspotentieel. wettelijk kader De werkgever moet de nodige maatregelen treffen om risico’s te voorkomen en de werknemers te beschermen. De thermische balans inzake warmtegevoel wordt bepaald door een 6-tal factoren: temperatuur van de lucht, luchtvochtigheid, warmtestraling, tocht, warmteproductie van het metabolisme en de kledij.
De minimum luchttemperaturen in een koude omgeving zijn: Indeling | Omschrijving | t °C | |
Zeer licht werk | 20 °C | ||
Licht werk | Secretariaatswerk, zittend werk met klein werktuigen, inspectie, besturen van een wagen, gebruik kleine handwerktuigen | 18 °C | |
Half zwaar werk | Gestadig werken met handen (timmeren, vijzen, …), besturen van vrachtwagens, occasioneel behandelen van middelmatig zware voorwerpen | 15 °C | |
Zwaar werk | Intense arbeid met armen en romp, behandelen van zware voorwerpen en bouwmaterialen, zagen met de hand, spitten | 12 °C | |
04/07/2008